Liturgische achtergrond van….

De acclamatie

Toen de jarige koningin Elisabeth van Engeland de Royal Alberthall betrad, vroeg haar bijna zeventigjarige zoon, prins Charles, de aanwezigen om een driewerf ‘hoera!’ voor zijn “mammie”. En zonder te oefenen riepen de feestvierders – zij het op typisch Britse wijze – driemaal “Hurrah” voor de 92-jarige vorstin. Dat was een perfect uitgevoerde acclamatie: er wordt een oproep gedaan en onmiddellijk stemmen alle aanwezigen ermee in.

Hoe anders is dat binnen onze kerkmuren. Ook daarbinnen klinkt in de liturgie dikwijls een oproep tot instemming; en wat je vervolgens hoort is vaak een zacht gebrabbel. ‘Zo spreekt de Heer’ zegt de lector als oproep na de schriftlezing; en uit de kerk komt dan dikwijls een onbestemd geluid. ‘Wat zeggen jullie daar eigenlijk?’, vragen mensen die kortgeleden katholiek geworden zijn; ze verstaan het niet.
Acclamaties komen op verschillende plaatsen in de liturgie voor. Het is een instemming van alle aanwezigen op wat er gezegd is. Zo heb je acclamaties bij het ‘Gebed om vergeving’, bij de ‘Schriftlezingen’, bij de ‘Voorbede’, in het ‘Eucharistisch Gebed’, bij de ‘Uitnodiging tot de Communie, bij de ‘Wegzending’. Er kunnen er meer zijn. Zelfs het ‘Heilig, heilig’ wordt door de bisschoppen sinds het tweede Vaticaans concilie tot de acclamaties gerekend. Een acclamatie wordt gezien als een geschikte wijze om alle aanwezigen bij de liturgie te betrekken.
Gelukkig is er muziek in de liturgie, en door de muziek beantwoorden de acclamaties meer aan het doel waarvoor zij bestemd zijn. Samen een acclamatie zingen klinkt overtuigender dan het gebrabbel, waarin een gesproken acclamatie dikwijls verzandt. Dan moet de organist natuurlijk wel alert zijn. Hoe dikwijls maak ik niet mee, dat na de oproep ‘De blijde Boodschap van de Heer’ de organist verrast wordt of niet direct weet welke toets hij of zij moet aanslaan. Dan komt de gezongen acclamatie echt te laat, want de andere aanwezigen zijn al aan het brabbelen. Bij de gezongen acclamatie zou de organist onmiddellijk na de oproep van de voorganger moeten inzetten. Dan behoud je nog iets van de betrokken instemming, die een acclamatie wil zijn.

Ruud Visser, pastoor